Als er problemen zijn bij het (leren) lezen, zoals het onthouden van het woordbeeld of het begrijpen van de tekst ligt het voor de hand en is het altijd raadzaam na te gaan of men wel scherp ziet. Vaak levert het onderzoek bij oogarts of opticiën geen duidelijke afwijkingen op dit gebied op. Het probleem zit dan ook niet zozeer in het niet goed zien, maar veeleer in het niet goed waarnemen, dus in het richten van de ogen, het fixeren van het beeld en het volgen van de regel. De samenwerking is verstoord. Bij navraag wordt er geklaagd over wazig worden van het beeld, verspringende letters of regels of hoofdpijn van het lezen. Heel duidelijk komt dit probleem bij dyslectici naar voren. Maar óók bij leesproblemen in het algemeen speelt deze gestoorde oogcoördinatie eenzelfde belangrijke rol.

Slechtere Cito-score door refractie fout (oogafwijkingen)
Ongeveer een kwart van de scholieren boekt geen optimale score bij de CITO-toets wegens een kleine oogafwijking. Dat stelt de huisarts Theo Hendricks, op grond van eigen onderzoek waarop hij onlangs aan de Universiteit van Maastricht is gepromoveerd.
Volgens Hendricks is er een statistisch verband tussen kleine refractieafwijkingen en slechtere scores van kinderen bij de toets.
Hendricks meent dat een dergelijke afwijking het verschil kan maken tussen een advies voor vmbo of en advies voor havo/vwo.
Ook zouden volwassenen als gevolg van de oogafwijking meer klachten over hun gezondheid hebben.
De refractieafwijkingen (vanaf plus of min een half) leiden niet onmiddellijk tot slechter zicht. Ze gaan wel gepaard met permanente inspanning van de oogspieren, waardoor kinderen en volwassenen hoofdpijnklachten hebben en zich minder goed kunnen concentreren.
Volwassenen met dit oogprobleem verzuimen jaarlijks twee dagen vaker dan met goed functionerende ogen. De afwijking leidt ook tot ‘vage klachten’.
Volgens Hendricks zijn de verborgen afwijkingen eenvoudig op te sporen bij de gebruikelijke oogkeuringen. Maar hij zegt dat niet alle huisartsen, bedrijfsartsen en opticiens er van op de hoogte zijn hoe dat moet en dat dit probleem speelt.
Achtergronden
- Het tekortschieten van de oogcoördinatie bij dyslexie is in de literatuur uitvoerig beschreven door o.a. Pavlidis, Fowler, Kuipers en Levinson, en recent Braswell. Deze onderzoekers toonden daarbij een verband aan tussen een gestoorde samenwerking van ogen (visuele) en evenwicht (vestibulaire), waardoor er onvoldoende controle over het opnemen en verwerken van de visuele beelden ontstaat, m.a.g. leesproblemen.
In recentelijke publicaties spreken onderzoekers ook wel van een “visuele ruis”, waardoor de zuivere waarneming en verwerking van de visuele prikkels bij dyslectici bemoeilijkt wordt.
- Vanuit de fysiologie is bekend, dat signalen vanuit de oogspieren, het netvlies en het evenwichtsorgaan in de kleine hersenen aankomen en zodanig verwerkt worden, dat het beeld scherp en stil blijft staan (vestibulo – oculaire- reflex). Dit is vooral belangrijk bijvoorbeeld bij oog- en hoofdbewegingen. Bij een oogcoördinatieprobleem is dit controlesysteem gestoord en treedt er een discrepantie op tussen de bijdrage door het visuele en vestibulaire systeem aan de waarneming en ook aan de ruimtelijke oriëntatie . Aanwijzingen voor deze oogcoördinatie – problemen zijn o.a. het overslaan van regels of woorden (vaak kleine woordjes), het te veel en te lang blijven spellen. Het vaker moeten lezen van de tekst om de inhoud te begrijpen. Ook het niet lang achter elkaar kunnen lezen of halverwege de tekst steeds meer fouten maken kan er op wijzen. Verder wordt er vaak geklaagd over dansende letters of wazig worden van de tekst. Last van tranende, prikkende ogen, in de ogen wrijven, en hoofdpijn kan aan de orde zijn. Evenals “uitgeblust thuiskomen” na een school- of werkdag of lang achter de PC zitten. In deze groep is de frequentie van wagenziekte hoger dan gemiddeld.
Bij jonge kinderen zien wij ook vaak ooghandcoördinatieproblemen, zoals moeite hebben met bal vangen, knoeien bij het eten, stuntelig zijn (brokkenpiloot), moeite met leren fietsen, schaatsen, zwemmen. Daardoor zijn zij vaak onzeker naar de buitenwereld toe of maskeren zij dit door clownesk gedrag .
Toelichting
Een “gewone” bril wordt voorgeschreven op basis van visuele gronden, dus om het beeld scherp te zien. Daarentegen wordt de Utermöhlen-prismabril op basis van vestibulaire gronden voorgeschreven en beïnvloedt als zodanig de bovenbeschreven discrepantie tussen de visuele en vestibulaire signalen. Hierdoor kan men de tekst rustiger en zonder de bovenbeschreven klachten lezen en daardoor wordt de lesstof in de hersenen beter verwerkt. Doorgaans is het voldoende als de bril als lees en studiebril gebruikt wordt. De bril bewerkstelligt een leereffect, daarom kunnen de prismata in de loop van enkele jaren worden afgebouwd.
Multidisciplinaire aanpak
In de praktijk blijkt dan ook de Utermöhlen-prismabril een waardevol hulpmiddel. Omdat bij dyslexie sprake is van een vertraagde automatisering van complexe taken, zoals o.a bij lezen, schrijven en veel fijn – motorische verrichtingen is een multidisciplinaire aanpak aan te raden. Naast remedial teaching en orthopaedagogische hulp moet er dus ook altijd aandacht zijn voor de motorische, auditieve en visuele componenten.
In de meeste gevallen wordt de bril ervaren als een goede steun bij het lezen en bij het gericht kijken. Het kan een waardevolle hulp zijn naast andere vormen van begeleiding voor het kind met leerproblemen.
Literatuur
Relationship between habitual refractive errors and headache complaints in schoolchildren.
Optom Vis Sci. 2007 Feb; Hendricks TJ, et al.
Bron: dr. Theo J.W. Hendricks
“Refractive errors: occurrence, aspecific health complaints, and functional problems’
Artsen van de Utermöhlen-Werkgroep
C.M. Biewenga-Booij te Havelte
A.v. Kralingen-Heyboer te Den Bommel
P.E.M. Vente te Alphen a.d. Rijn